Heimelijke geluidsopnames door werknemer leiden tot een verstoorde arbeidsverhouding

Mag je geluidsopnames maken van gesprekken met je werkgever? Moet je dit vooraf melden en wat heeft dit voor gevolgen voor de arbeidsovereenkomst?

Een werknemer bij een subsidieadviesbureau, zijn functie was die van senior salesconsultant, was kort na zijn indiensttreding per 1 januari 2016 begonnen met het heimelijk opnemen van gesprekken met zijn werkgever. Toen was er echter nog niets aan de hand.

In maart 2017 ontving de werknemer  een waarschuwing in verband met het niet naleven van instructies in het kader van het salesproces. In oktober 2017 ontving hij een tweede waarschuwing in verband met het zich negatief uitlaten tegenover andere medewerkers over een met de werkgever gevoerd gesprek. In het gesprek naar aanleiding van deze waarschuwing heeft de werknemer laten weten dat hij al 1,5 jaar gesprekken met het management, leveranciers en medewerkers opneemt en dat hij daarin relevante informatie heeft verzameld voor een eventuele rechtszaak met de werkgever.

Op 3 november 2017 is de werknemer geschorst ten gevolge van zijn gedragingen ten opzichte van de werkgever, medewerkers en andere relaties van de werkgever, bestaande uit het heimelijk opnemen van gesprekken. De werkgever achtte het handelen van de werknemer als een grove inbreuk op de privacy van alle betrokkenen.

Partijen hebben vervolgens getracht een regeling te treffen in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, echter zonder resultaat. Hierop heeft de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht bij de kantonrechter.

De grondslag voor de ontbinding was gebaseerd op een verstoorde arbeidsverhouding en vervolgens disfunctioneren. Volgens de werkgever was de arbeidsrelatie verstoord geraakt doordat werknemer meer dan een jaar heimelijk gesprekken heeft opgenomen met de werkgever, de medewerkers en andere relaties van de werkgever met het oog op een eventuele rechtszaak. Hieruit bleek dat de werknemer het vertrouwen in zijn werkgever als geruime tijd kwijt was terwijl hij hierover nooit heeft gesproken met de werkgever.

De kantonrechter oordeelde dat op grond van het Wetboek van Strafrecht het stiekem maken van geluidsopnames van een gesprek alleen strafbaar is, als de persoon die de opnames maakt zelf geen deelnemer is aan het gesprek. Een werknemer hoeft dus geen toestemming te vragen om een gesprek op te nemen en hoeft dit vooraf niet aan de werkgever, andere werknemers of relaties van de werkgever aan te kondigen. Voorwaarde is wel dat de werknemer zelf deelnemer is aan het gesprek. In strafrechtelijke zin heeft de werknemer dus niets verkeerd gedaan.

De kantonrechter overwoog voorst dat dit echter niet betekent dat het gedrag van de werknemer in de verhouding tussen werkgever en werknemer niet kan leiden tot een verstoring van die relatie.

Omdat niet is gebleken dat de werknemer de opnames heeft geopenbaard of op enigerlei wijze daarvan misbruik heeft gemaakt, hij heeft de opnames zelfs niet voor de onderhavige procedure gebruikt, is er geen sprake van schending  van de privacy van betrokkenen. Dit zegt echter niets over de invloed van dergelijk gedrag op het onderling vertrouwen tussen werkgever en werknemer.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de werknemer het opnemen van de gesprekken ingezet als dreigmiddel jegens zijn werkgever. Hij heeft hiermee zijn werkgever laten weten dat hij haar al langere tijd niet vertrouwt en dat hij verwachtte op enig moment in een rechtszaak met haar te zullen belanden. Hij was dus als het ware al langere tijd bezig een dossier op te bouwen. Hieruit heeft de kantonrechter geconcludeerd dat ook aan de zijde van de werknemer geen vertrouwen bestaat in een vruchtbare voortzetting van het dienstverband.

De conclusie van de kantonrechter is dan ook dat er sprake was van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsrelatie tussen partijen. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 april 2018 met toekenning van een transitievergoeding aan de werknemer van
€ 2.972,67 bruto. Het verzoek van de werknemer tot toekenning van een billijke vergoeding is afgewezen.

Bron: Rechtbank Rotterdam d.d. 7 februari 2018 ECLI:NL:RBROT:2018:1169.